Laagtelijnen en de 20 m afstandsregel

Afstanden van hoofd- en noodafvoeren en waterhoogten

Algemeen: bij laagtelijnen zonder afschot mag de door de fabrikant opgegeven waterhoogte worden aangehouden, mits een afstand van 10 + 10 m tussen twee hoofdafvoeren en 10 m tussen een hoofdafvoer en de bijbehorende noodafvoer niet wordt overschreden. Hetzelfde geldt voor niet-lineaire laagtelijnen.

Bij noodafvoeren: krachtige noodafvoeren mogen verder dan 10 + 10 m uit elkaar liggen, mits vanwege de mogelijke vorming van "waterbergen" de dubbele opstuwhoogte als daklast tussen de 10 m-stralen van de noodafvoeren wordt aangenomen (zie afbeelding).

Voorbeeld

  • Overstorthoogte = 60 mm
  • Opstuwing = 15 mm
  • Waterhoogte bij de afvoer = 60 + 15 = 75 mm
  • Waterhoogte vanaf 20 m afstand = 60 + 2 x 15 = 90 mm

Bij het gebruik van krachtige afvoersystemen wordt ook bij laagtelijnen een afschot naar de afvoeren aanbevolen, zodat voldoende water naar de afvoer kan worden getransporteerd. Daardoor zijn er minder afvoeren nodig.

Normen

- DIN 1986-100 par. 14.2.5 Bij laagtelijnen zonder afschot wordt vanwege de mogelijke vorming van "waterbergen" aanbevolen een afstand van 20 m tussen twee hoofdafvoeren en 10 m tussen een hoofdafvoer en de bijbehorende noodafvoer niet te overschrijden.

- DIN 1986-100 par. 14.2.6 Bij grotere afstanden zou de dubbele opstuwing als daklast op het hoge punt tussen de afvoeren moeten worden aangenomen.

Aanwijzing: vaak kan de hierboven genoemde afstand ten gunste van krachtigere afvoersystemen worden overschreden, mits de constructie bij de geplande laagtelijnen dienovereenkomstig wordt berekend. Er zijn dan vaak minder afvoeren nodig dan gebruikelijk.