Afstandsmaten

Afvoeren met lijmflens voor vloeibare kunststoffen

met opstand

DIN 18531-5: 2017-07 "Afdichting van daken alsmede van balkons, loggia's en galerijen - Deel 5: Balkons, loggia's en galerijen", hoofdstuk 6.3 Afwatering:

Afvoeren met opstand voor vloeibare kunststoffen worden direct tegen een opgaand bouwdeel ingebouwd. De zijdelingse afstand tot verdere opgaande bouwdelen dient min. 10 cm vanaf de buitenrand van de flens te bedragen.

Voorbeelden:
Balkonafvoeren serie V-AK

Afvoeren met lijmflens voor vloeibare kunststoffen

zonder opstand

Afvoeren met lijmflens voor vloeibare kunststoffen dienen met een afstand van min. 10 cm vanaf de buitenrand van de flens tot opgaande bouwdelen te worden ingebouwd.

Voorbeelden:
Balkonafvoeren serie HF, GF, FF, J en V-FL.

Afvoeren met klem- of lijmflens

met opstand

Afvoeren met opstand als klem- of lijmflens worden direct tegen een opgaand bouwdeel ingebouwd. De zijdelingse afstand tot verdere opgaande bouwdelen dient min. 30 cm vanaf de buitenrand van de flens te bedragen.

Voorbeelden:
Attiekafvoeren serie 43, 79, 89, 62

Afvoeren met klemflens

zonder opstand

Afvoeren met klemflens voor bitumen- of kunststofbanen dienen met een afstand van min. 30 cm tussen de buitenrand van de flens en opgaande bouwdelen te worden ingebouwd.

Voorbeelden:
Balkonafvoeren serie V-KL, K
Platdakafvoeren serie 84, 49, 21

Afvoeren met aansluitmanchet

Afvoeren met aansluitmanchetten voor bitumen- of kunststofbanen dienen met een afstand van min. 30 cm tussen de buitenrand van de klemring en opgaande bouwdelen te worden ingebouwd.

Voorbeelden:
Balkonafvoeren serie H, E en F

Ø klemring:

Serie H, DN 70: 146 mm
Serie H, DN 100: 178 mm
Serie E/F, DN 50 / DN 70: 122 mm

Platdakafvoeren serie O

Attiekafvoeren

In de regelgeving van de Duitse platdakrichtlijn (versie november 2019, punt 2.5, lid 5) en in de norm DIN 18531-1 (versie juli 2017, punt 6.6, lid 6) is de toepassing voor de inbouw in de attiek of opgaande bouwdelen geregeld. Uit deze norminhouden blijkt dat afvoeren die speciaal voor het toepassingsgebied attiek en opgaande bouwdelen zijn bestemd, zonder afstand zijn toegestaan.

Afstanden tussen bouwdelen

De minimale afstand tussen attiek- en platdakafvoeren (buitenrand flens tot buitenrand flens), evenals de afstand tot doorvoeren of tot andere bouwdelen, bedraagt min. 0,30 m.